Wij roofvissers zijn minder belangrijk dan we denken
- Thom Prüst
- 3 dagen geleden
- 5 minuten om te lezen
Over invloed, gesloten tijd en het probleem dat wij zelf hebben gecreëerd
Binnen de roofvisserij praten we veel over onze invloed, over verantwoordelijkheid en over de bescherming die roofvissen nodig zouden hebben. Over hengeldruk, gesloten tijd en visgedrag. Maar wat als we al jaren discussiëren over een probleem dat onder water simpelweg niet bestaat — en dat we vooral zelf in stand houden?
Roofvissen zijn niet bezig met ons. Niet met onze bedoelingen, niet met leerprocessen en niet met de vraag of een kunstaas vorig jaar al eens “gevaarlijk” was (dressuur). Die ideeën bestaan vooral boven water.
Na jaren werken als visgids op zwaar bevist water ben ik ervan overtuigd geraakt dat een groot deel van wat binnen de roofvisserij als vanzelfsprekend wordt aangenomen — over gedrag, vangbaarheid, kunstaas en daaruit voortvloeiend ‘noodzakelijk’ beleid — vooral voortkomt uit onze eigen behoefte aan verklaringen. Veel minder uit wat de vis daadwerkelijk doet.

Strikezone: het enige dat werkelijk telt
Als we alles wat binnen de roofvisserij wordt besproken terugbrengen tot één werkbare variabele, blijft er weinig over. Niet het merk kunstaas. Niet de kleur. Niet of een vis “het al kent”. Wat telt, is of het aas zich bevindt in de strikezone van een vis — en wat die vis op dát moment doet.
Een roofvis is aanwezig of niet. Hij jaagt actief, of ligt passief. Meer smaken zijn er niet. Die twee factoren bepalen in de praktijk vrijwel alles.
Een snoekbaars die passief op de bodem ligt, zal niet ineens meters omhoog komen omdat een shad mooi wiebelt of een populaire kleur heeft. In zo’n situatie moet het aas zich letterlijk binnen zijn directe bereik bevinden en daar lang genoeg aanwezig blijven om uit opportunisme gegrepen te worden. Dat is geen jacht, dat is een beslissing in het moment.
Is diezelfde vis actief jagend, dan verandert het spel volledig. Dan draait het niet om verleiden, maar om snelheid, invalshoek en timing. De vis moet een reële kans hebben om het aas te pakken. Het gaat om een kort window. Niet om esthetiek.
Of dat kunstaas vorige week al eens gebruikt is — door jou of door tien anderen — is op dat moment volstrekt irrelevant. Een vis kent geen categorie “kunstaas”. Hij reageert op positie, beweging en bereikbaarheid binnen een concreet moment. Alles daarbuiten is interpretatie door de visser.
Kunstaas, kleur en vakmanschap
Als de strikezone werkelijk bepalend is, volgt daar een ongemakkelijke conclusie uit: een groot deel van de discussie over kunstaas speelt zich vooral boven water af. We geloven dat dressuur bij roofvissen bestaat, dat ze selectief zijn op merk, kleur of nieuwheid van aas. In de praktijk zie ik daar, onder alle omstandigheden, geen enkel patroon in — geen trend, geen richting en al helemaal geen herhaalbaar effect.
Dat betekent niet dat alle kunstaas hetzelfde is. Het verschil zit niet in het aas zelf, maar in de situatie waarin je vist. Vorm, gewicht en actie bepalen niet wat een vis “liever” heeft, maar hoe jij als visser het aas onder specifieke omstandigheden kunt aanbieden. Dat zegt niets over de vis, maar alles over de context waarin je vist.
Kleurdiscussies laten zien hoe graag we betekenis toekennen aan toeval. Onder water worden kleuren anders waargenomen, licht verandert voortdurend en toch blijven we zoeken naar vaste regels. In al die jaren heb ik nooit kunnen vaststellen dat kleur op zichzelf bepalend was voor het vangstresultaat.
Wat bij een aaswissel vaak wél verandert, is het gedrag van de visser. Meer focus, meer controle, een andere presentatie. Dat effect is reëel — maar het speelt zich volledig boven water af.
Dit verklaart ook waarom het vaak dezelfde vissers zijn die structureel goed vangen. Niet omdat zij het “juiste” aas hebben, maar omdat zij beter vissen. Ze vinden vis beter en stemmen hun aaspresentatie nauwkeuriger af op de soort, de situatie en het moment. Dat vakmanschap is niet merkgebonden en laat zich niet kopen. Wie vis niet kan vinden, vangt niets. Wie vis wél vindt en het aas op de juiste manier aanbiedt, vergroot elke kans.
Hengeldruk als schijnverklaring
Hengeldruk wordt vaak aangevoerd als verklaring voor tegenvallende vangsten: drukbevist water zou leiden tot dressuur. In de praktijk houdt die redenering weinig stand.
Op wateren waar al decennia intensief wordt gevist, blijven vangsten opmerkelijk stabiel zolang de vis aanwezig is. Niet het aantal vissers, maar de aanwezigheid van vis bepaalt of er gevangen wordt. Hengeldruk verandert die werkelijkheid niet structureel.
Het idee dat dit wél zo is, zegt vooral iets over onze behoefte aan verklaringen. En precies vanuit die behoefte zetten we de stap naar morele conclusies en beleid.
De gesloten tijd: een oplossing voor een probleem dat niet bestaat
De gesloten tijd voor roofvis is ingevoerd vanuit een begrijpelijke gedachte: roofvis tijdens de paai met rust laten. Op papier klinkt dat logisch en verantwoord. Maar wie die gedachte naast de praktijk legt, ziet al snel dat er iets fundamenteel wringt.
De meeste roofvissoorten paaien niet in april of mei, maar eerder. Snoek, snoekbaars en baars zijn in veel Nederlandse wateren al in februari en maart actief bezig met voortplanting. En juist in die periode verandert Nederland al decennia lang in een trekpleister voor sportvissers uit een groot deel van Europa. Vissers uit België, Duitsland en Frankrijk trekken massaal naar Nederlandse wateren om daar, samen met Nederlandse sportvissers, tijdens de feitelijke paaitijd helemaal lost te gaan op roofvis.
Dat gebeurt niet incidenteel of sinds kort, maar al tientallen jaren. En ondanks die langdurige, intensieve bevissing blijven we onze vissen vangen. Jaar na jaar. Van een structureel instortend roofvisbestand of steeds slechtere vangbaarheid als gevolg van deze praktijk is geen sprake. Kijk naar vangstverslagen op websites en fora van de afgelopen jaren: het is moeilijk vol te houden dat daar een duidelijke, structurele neergaande trend in te zien is.
Ook mijn eigen vangststatistieken van de afgelopen tien jaar laten schommelingen zien — tussen roofvissoorten en seizoenen — maar één ding laten ze níét zien: een generieke afname van vangsten.
Tegelijkertijd vindt in diezelfde periode ook commerciële visserij plaats. Grootschalig, niet‑selectief en met middelen die paaiende vissen vol kuit en nestbewakende snoekbaarsmannetjes daadwerkelijk uit het systeem verwijderen. Een vis kort haken en weer terugzetten is iets totaal anders dan diezelfde vis definitief uit het water halen. Dat verschil hoef je niet uit te leggen — dat ziet iedereen.
Toch blijft het debat zich telkens opnieuw richten op de sportvisser, alsof juist die groep de doorslaggevende factor zou zijn in het al dan niet gezond blijven van de roofvisstand.
En dit debat wordt niet tegen ons gevoerd, nee, we voeren het zelf. Sportvissers, samen met hun eigen belangenbehartiging, blijven hameren op hun vermeende invloed. Daarmee leggen we ons eigen hoofd op het hakblok en leveren we de argumenten aan die later tegen ons gebruikt worden.
De gesloten tijd is daarmee geen antwoord op een reëel probleem onder water, maar vooral een bevestiging van een hardnekkige overschatting van onze eigen rol en invloed. Niet omdat zorg voor vis onterecht is, maar omdat die zorg is gericht op een probleem waar we na al die jaren vissen geen enkel spoor van bewijs van het bestaan van dit probleem zien.
Alles wat ik hier opschrijf, gaat in tegen veel van wat binnen de roofvisserij inmiddels als logisch en vanzelfsprekend wordt gezien. Dat weet ik. En dat is precies waarom ik het opschrijf.
Wat ik jaar na jaar op het water zie — tijdens de paai en ver daarbuiten — past niet bij het idee dat roofvissen door sportvissers worden gevormd, beschermd of structureel beschadigd. Wel zie ik hoe graag wij zelf blijven geloven dat onze aanwezigheid het verschil maakt.
Misschien voelt dat prettig. Misschien geeft het houvast. Maar het zegt vooral iets over ons – niet over roofvis. Roofvissen houden zich daar niet mee bezig. Dat debat speelt zich volledig boven water af — over een probleem dat onder water simpelweg niet bestaat.


