Deel 1 — De mythen van de moderne roofvisser
- Thom Prüst
- 7 dagen geleden
- 6 minuten om te lezen
In de roofvisserij wordt ongelooflijk veel verklaard. Bijna alles wat we niet begrijpen, vangen we af met een verhaal. Vissen leren. Ze raken gedresseerd. Ze kennen dit kunstaas inmiddels wel. Dit water is helemaal kapotgevist. Na de gesloten tijd vang je altijd goed omdat ze twee maanden geen kunstaas hebben gezien.
Deze verklaringen zijn zo ingeburgerd dat ze zelden nog ter discussie staan. Ze worden niet gebruikt als hypotheses, maar als feiten. Ze vormen het uitgangspunt van hoe er gevist wordt, hoe vangsten worden beoordeeld en hoe tegenvallende resultaten worden verklaard.
Het probleem is niet dat deze verklaringen te simpel zijn. Het probleem is dat ze niet kloppen. Ze voorspellen niet wat ik dagelijks op het water zie gebeuren, verklaren geen gedrag en sturen geen enkele zinvolle keuze aan. Ze bestaan vooral omdat ze logisch klinken, niet omdat ze werken.
Dit stuk gaat niet over nuance, gevoel of interpretatie. Het gaat over het verschil tussen aannames die goed klinken en verklaringen die standhouden wanneer je ze elke dag opnieuw moet toetsen.

Dressuur, hengeldruk en andere verklaringen achteraf
Als deze verklaringen kloppen, dan zijn het geen losse meningen, maar verklaringsmodellen. En elk verklaringsmodel heeft één minimale eis: het moet voorspellend zijn.
Als vissen dressuur ontwikkelen, dan moet die dressuur zichtbaar en herhaalbaar zijn. Dan zou een vis die vaker gevangen is structureel anders moeten reageren dan een vis die dat niet is. Dan zouden bepaalde aassoorten, presentaties of technieken na verloop van tijd consequent minder effectief moeten worden. Niet af en toe, maar aantoonbaar en reproduceerbaar.
Belangrijker nog: als dressuur werkelijk een bepalende factor is, dan zou zij zich niet selectief mogen tonen. Dan zou zij niet alleen als verklaring opduiken op dagen waarop vangsten tegenvallen, maar juist ook zichtbaar moeten zijn op dagen waarop vissen actief zijn en alles lijkt te lopen.
Dan zou dressuur vooraf richting moeten geven aan wat je vandaag anders moet doen dan gisteren. Dan zouden vissen op zulke dagen kunstaas waarop ze gedresseerd zouden zijn juist moeten mijden — óók wanneer ze verder actief zijn. Precies dat zie ik niet gebeuren.
Op dagen waarop vissen actief zijn en vrijwel alles nemen wat binnen bereik komt, laten ze datzelfde kunstaas niet ineens links liggen. Het vermeende effect van dressuur verdwijnt dan volledig. Daarmee valt het dressuur‑verhaal niet omdat vissen “toch meewerken”, maar omdat het alleen opduikt wanneer vangsten tegenvallen.
Dat is geen verklaring, maar een selectief toegepast verhaal.
Hetzelfde geldt voor hengeldruk. Als hengeldruk daadwerkelijk tot structurele gedragsverandering zou leiden, dan zou drukbevist water zich fundamenteel anders moeten gedragen dan water waar nauwelijks op gevist wordt. Niet alleen in aantallen vangsten, maar in de manier waarop vissen reageren. Dan zouden vergelijkbare omstandigheden op verschillende wateren tot voorspelbaar ander gedrag moeten leiden, puur op basis van visdruk.
Ook dat beeld herken ik niet. Gedrag blijkt niet consequent gebonden aan druk, maar aan iets anders dat we wel kunnen waarnemen en vrijwel nooit kunnen verklaren.
En als de gesloten tijd werkelijk zou werken omdat vissen tijdelijk geen kunstaas zien, dan zou dat effect los moeten staan van andere factoren. Het zou zich ieder jaar op vergelijkbare wijze moeten laten zien.
Dat beeld herken ik evenmin. De afgelopen tien jaar heb ik in de gesloten tijd consequent doorgevist met wormen. Niet incidenteel, maar structureel en altijd binnen de geldende regels. Juist daardoor beschik ik over een referentie die volledig losstaat van het gebruik van kunstaas.
Wat ik zie, is geen zogenaamd ‘reset‑effect’, maar een patroon waarin vangsten toenemen, een piek laten zien en daarna weer afnemen. Dat piekmoment kan midden in de gesloten tijd vallen, maar soms ook net erna. Het treedt dus op onafhankelijk van de vraag of er in die periode met kunstaas gevist is.
Precies daar ontstaat de verwarring. Wanneer dat piekmoment samenvalt met de heropening van het kunstaasseizoen, wordt de oorzaak achteraf toegeschreven aan het feit dat vissen “een tijd geen kunstaas hebben gezien”. Niet omdat die verklaring standhoudt, maar omdat twee verschijnselen toevallig samenvallen.
Vanaf 1 januari 2026 is het gericht doorvissen met wormen, waarbij de kans groot is dat er snoekbaars gevangen wordt, verboden door de Sportvisunie. Over de redenen daarvoor — en mijn oordeel daarover — bestaat een afzonderlijk verhaal, maar dat hoort niet in dit artikel thuis. Hoe dan ook houd ik me aan de geldende wet‑ en regelgeving en neem ik sindsdien twee maanden gedwongen rust.
Voor deze observaties maakt dat één ding niet anders: de gesloten tijd zelf is geen verklarende oorzaak voor verbeterde vangsten. Ze levert een verhaal op, geen voorspellend model.
Ik heb onder vrijwel alle denkbare omstandigheden, in alle seizoenen, zowel uitzonderlijk goed als uitzonderlijk slecht gevangen. Er wordt vaak gesuggereerd dat dit verklaarbaar is aan de hand van factoren als temperatuur, luchtdruk of windrichting. Mogelijk ís het verklaarbaar. Ik ken die verklaring niet, en ik ken niemand die haar wél heeft kunnen omzetten in een bruikbaar voorspellend model.
Wat overblijft, is geen theorie maar een constatering: vissen zijn vandaag actief, of ze zijn dat niet. En dat onderscheid laat zich iedere dag opnieuw direct waarnemen.
Als je stopt met verklaren
Als je stopt met verklaren, blijft er niet veel over. Geen theorie, geen verhaal. Alleen wat je op dat moment ziet gebeuren.
Op het water zie ik geen vissen die “geleerd” hebben, geen vis die zich consequent anders gedraagt omdat hij iets heeft meegemaakt. Wat ik zie, is veel simpeler: vissen zijn actief, of ze zijn dat niet.
Actieve vis herken je meteen. Die reageert snel, komt makkelijk los, neemt aas dat niet perfect gepresenteerd is. In zulke fases lijkt het alsof alles werkt. Verschillende shads vangen. Verschillende technieken ook. Het maakt nauwelijks uit. Juist op dat soort momenten hoor je niemand over dressuur of hengeldruk.
Het wordt anders wanneer vissen niet actief zijn. Dan wordt het vissen meteen een stuk lastiger. De foutmarge wordt kleiner. Presentatie gaat zwaarder wegen. Sommige vissers blijven nog wel vangen, anderen niet. Maar één ding verandert niet: een niet‑actieve vis kan perfect gevist aas volledig negeren.
Dat is geen nuance, dat is een harde grens. Goed vissen vergroot de kans dat je een niet‑actieve vis bereikt, maar het dwingt geen reactie af. Er is geen techniek, geen aas en geen verklaring die dat kan afdwingen. Wie daar wel van uitgaat, verwart kans met zekerheid.
Juist hier loopt het gangbare denkmodel vast. Verklaringen als dressuur en hengeldruk zeggen niets over het moment waarop een vis wel of niet reageert. Ze verklaren niet waarom de ene visser op dezelfde dag nog vangt en de ander niet. Ze geven geen richting vooraf en leveren geen houvast op tijdens het vissen zelf.
Zodra je accepteert dat het verschil tussen actief en niet‑actief de basis is, verdwijnen veel verhalen vanzelf. Niet omdat ze vervangen worden door betere verklaringen, maar omdat ze overbodig blijken. Ze voegen niets toe aan wat je ziet en niets aan wat je doet.
Wat overblijft, is geen geruststellend verhaal. Het is een constatering waar je mee moet werken: actieve vissen zijn vergevingsgezind. Niet‑actieve vissen zijn dat niet. En soms zijn ze simpelweg niet te vangen, hoe goed je ook vist.
Verklaringen helpen je geen meter verder
Als je dit serieus neemt, moet je met een hoop onzin stoppen. Vergeet termen als dressuur en hengeldruk. Het klinkt leuk, maar het slaat nergens op. Ik zie het niet gebeuren op het water — nooit — en ik kan er geen enkele vangst mee voorspellen.
Zolang je deze verklaringen blijft gebruiken, ben je vooral bezig om excuses te zoeken voor tegenvallende dagen. Je vist er geen meter beter van en je begrijpt er niets beter door. Het zijn zwakke verklaringen voor iets wat niet werkte, maar je weet nog steeds niet wanneer het wél kan werken.
Dat betekent niet dat alles willekeurig is. Het betekent vooral dat vrijwel iedereen elkaar napraat en naar de verkeerde dingen kijkt.
De enige vraag die er tijdens het vissen toe doet, is of een vis op dat moment te bereiken is, of niet. Meer is het niet. En als hij te bereiken is, hoeveel ruimte er dan is om fouten te maken. Soms is die ruimte groot. Soms is die vrijwel nul. Soms bestaat hij helemaal niet, hoe goed je ook vist.
Dat is geen theorie, dat is wat ik elke dag zie gebeuren.
Als je daar iets mee wilt, moet je stoppen met verklaren en echt ergens anders naar gaan kijken. Niet naar het zogenaamd traumatische verleden van de vis, maar naar wat er nú mogelijk is.


